Eeuwige jeugd

Christophe Vekeman
zaterdag 10 april 2021 om 3.25 uur
Artwork

Deze week mocht het eens te meer blijken: in april bevindt het jaar zich veelal volop in zijn puberteit. Het is een vertwijfelde, bijwijlen ronduit radeloze maand, ten prooi aan stemmingswisselingen en onverpoosd driftig op zoek naar zichzelf, die soms huilt en lacht tezelfdertijd en het, kortom, allemaal niet zo goed weet.

Dat aan het begin van The waste land T.S. Eliot april 'the cruellest month' noemde, past dan ook – al is het gedicht in kwestie straks honderd jaar oud – voortreffelijk bij onze huidige tijd, waarin pubers en bij uitbreiding jongeren van lieverlede meer te boek staan als gewetenloze, nietsontziende aanzichzelfdenkers van schier ondergronds allooi. Dat hebben zij geheel en al aan zichzelf te danken, schijnt het. Moeten ze zich maar aan de regels houden. En dat doen jongeren, deze net-geen-psychopaten, nu eenmaal niet meer, daartoe zijn ze niet langer bereid, ze zijn het moe, ze zijn het beu, ze zijn het zat, corona kan, zo lees en hoor ik allerwegen, wat hen betreft de pot op, zeg maar. Voor de jongeren is het genoeg geweest. En homofoob zijn ze ook nog, als je ze beluisterd hebt, een poosje geleden, op het Gentse Sint-Pietersplein. Kort samengevat: het is een schande, meneer.

Omgekeerd is het een onmiskenbaar feit dat jongeren nu al geruime tijd – pakweg sinds het niet langer nodig is de achternamen van Greta en Anuna te vermelden opdat men zou weten over wie het gaat – vrij algemeen beschouwd worden als buitensporig verantwoordelijk, maatschappelijk betrokken, hyperbewust, wakker, waakzaam en opofferingsbereid op het masochistische af. Geef hun een snede tofoe en twee bekers biokoffie, en het feestje kan niet meer stuk in hun ogen. Een enkele beker zal trouwens volstaan, veel dank, morgen is het weer vroeg dag en dient men zich fris en daadkrachtig te voelen, daar de wereld moet worden gered. Kort samengevat: kom, neemt u dáár maar eens een voorbeeld aan, mevrouw.

Hoe kan dat toch, hoe zit het nu? Sommigen menen in de bovenstaande tegenstelling het definitieve bewijs te kunnen ontwaren van de hypocrisie die de jeugd vandaag de dag kenmerkt: belerende puriteinen zijn het zolang het hun te pas komt, maar hun aura van bigotterie en somtijds uitgesproken treiterig idealisme verdampt spoorloos in een vingerknip zodra hun prekerige praatjes plaats dienen te maken voor daadwerkelijk gedrág. Jongeren mogen in die optiek dan al hoog van de toren blazen en zichzelf een verbeterde versie van moedertje Teresa wanen, maar als het erop aankomt, lijken ze veel meer op Imelda Marcos.

De waarheid is natuurlijk dat 'de' jongeren alleen bestaan in de gedachten van volwassen of oudere mensen: zoals de ene 40-, 50- of 75-jarige terecht van oordeel is weinig tot niets gemeen te hebben met zijn even oude neef, collega of buurman, zo is vanzelfsprekend ook de ene jongeling de andere niet. Eenvoudiger en duidelijker kunnen de dingen niet zijn. Je hebt jongeren en ouderen in alle soorten.

Juist de voordehandliggendheid van deze vaststelling, echter, maakt de vraag naar waar ons desbetreffend groepsdenken dan toch vandaan komt zo lastig en onbehaaglijk stemmend, en ook zo moeilijk te beantwoorden, zeker als je rekent dat iedereen eertijds jong is geweest en elkeen ook, bij tijd van leven tenminste, ooit oud worden zal. Waar heeft de eeuwige vijandschap tussen jong en oud, te weten de twee minst exclusieve bevolkingsgroepen die je kunt bedenken, dus mee te maken? Hoe kun je iemand weerzinwekkend vinden die je zelf bent geweest, en hoe bestaat het dat je degene verfoeit die je gegarandeerd straks zelf zult zijn?

Ik kan helaas geen andere conclusie vinden dan dat de mens voor blinde, redeloze haat of althans hartstochtelijke wrevel in de wieg gelegd is. Heeft reeds Augustinus er niet op gewezen, over de wieg gesproken, dat zelfs zuigelingen jaloers zijn op elkander en elkaar verafschuwen, de schreeuwlelijke krijsertjes?

Maar we kunnen uiteraard ook Augustinus rustig weerom in de kast plaatsen en gewoonweg putten uit eigen ervaring. Want ja, ik geef het toe, ik wil mezelf niet uit de wind zetten, dus spreek ik, 48 jaar oud, getooid met een vermaledijde leesbril alsmede zuchterig gebukt gaand onder schrille pijntjes in de onderrug, onbeschroomd vrijuit en zeg het luidkeels zoals het is: aanschouw ik zogenaamde jongeren, dan zie ik potsierlijk uitgedoste types met een zeer onreine huid die luisteren naar nu eens geestverlammende, dan weer krankzinnig makende charivari. Ik zie betweters zonder gelijk, verbijsterend koppige leeghoofden, door en door smakeloze halvezolen en, bref, niets dan insipide, nietsnuttige sukkels. Mensen met wie ik niets te maken wens te hebben, die ik niet begrijp en door wie ik mij niet begrepen acht.

En kijk nu toch eens. Zie je wel? Wat blijkt? Dat jong of oud in wezen geen enkel verschil maakt. Ik ben in elk geval nog krák hetzelfde als toen ik 16 was.

Christophe Vekeman is auteur. In deze rubriek wikt hij de wereld.
Verschenen op zaterdag 10 april 2021